Als je leert navigeren in woelige wateren, komt er land in zicht

In de spotlights staan hoort niet echt bij de comfortzone van Désirée Holthuysen, werkzaam bij de reclassering. Dat ze toch een interview geeft over de opleiding tot cognitief gedragstherapeutisch werker (cgw’er) en hoe ze cognitieve gedragstherapie (CGT) inzet in haar dagelijkse werk, komt vooral omdat ze anderen enthousiast hoopt te maken.

Désirée werkt al dertig jaar bij Reclassering Nederland, regio Noord-West. Ze is daar toezichthouder, wat inhoudt dat ze cliënten op een hybride manier begeleidt; ze controleert, maar is tegelijkertijd bezig met het voorkomen of terugdringen van recidive, bijvoorbeeld door te werken aan gedragsverandering, risicobeheersing en re-integratie. De forensische doelgroep is niet eenvoudig: “De problematiek van onze cliënten is vaak heel complex. Ze zijn dader, maar geregeld ook zelf getraumatiseerd, waardoor je te maken hebt met mensen die bijvoorbeeld extreem achterdochtig zijn. Het creëren van een veilig leerklimaat en een juiste timing zijn essentieel tijdens het proces van leren en begeleiden”. Wat Désirée betreft bestaat de ideale benadering uit de volgende driepoot: een goede therapeutische relatie, motiverende gespreksvoering en cognitief gedragstherapeutisch werken.

Maar laten we eerst een stapje terugzetten. Waarom ging Désirée de CGW-opleiding volgen? “Ik deed een kort traject bij een loopbaancoach en daar kwam uit naar voren dat loopbaancoach iets voor mij zou kunnen zijn, of meer therapeutisch werken. Dat laatste sprak mij meteen erg aan. Ik ben vervolgens gesprekken gaan voeren met mensen uit mijn professionele netwerk die mij goed kenden en toen kwam de CGW-opleiding naar voren.” In eerste instantie wilde ze alleen het theoretische deel van de opleiding volgen, maar dat bleek al snel niet genoeg. “De opleiding gaf me enorm veel verdieping. Ik vond het bijvoorbeeld ontzettend interessant om een functie- en betekenisanalyse (FABA) uit te schrijven en om na te denken over patronen van instandhouders en wat er gebeurt als er iets verandert in zo’n patroon.” Al met al raakte ze zo geïnspireerd dat ze besloot het hele opleidingstraject af te maken.

‘De ideale benadering bestaat uit een goede therapeutische relatie, motiverende gespreksvoering en cognitief gedragstherapeutisch werken’
– Désirée Holthuysen

Plan kennisoverdracht CGW

Désirées enthousiasme hield daar niet op; aan het einde van de supervisieperiode schreef ze een ‘plan voor kennisoverdracht CGW binnen de reclassering’. Het plan viel bij haar organisatie in goede aarde en leidde tot de oprichting van een werkgroep. Samen maakten ze een projectplan en dat sloeg vervolgens weer zo aan dat het project landelijk uitgerold mocht worden. Het balletje was definitief aan het rollen gebracht: Désirée kreeg de kans op het reclasseringscongres een workshop over cognitief gedragsmatig werken te geven en is momenteel verbonden aan de reclasseringsacademie, waar ze onder andere inhoudelijke input levert voor de trainingsdagen die worden ontwikkeld. Is het haar ideaal dat in de toekomst iedereen binnen Reclassering Nederland zich het cognitief gedragsmatig werken eigen maakt? Désirée lacht. “Als dat lukt, zou dat mooi zijn, maar borging is ook belangrijk. Alleen even een training volgen is niet voldoende. Misschien kan de cognitief gedragstherapeutische methodiek terugkomen in onze casuïstiek? Maar laat ik niet vooruitlopen op de muziek, we zijn immers nog aan het ontwikkelen.” 

Op de werkvloer

Al deze initiatieven en activiteiten ontplooit Désirée naast haar werk met de cliënten. Laten we daarom teruggaan naar de praktijk van alledag: hoe zet ze daar CGT in? “Stap één is eigenlijk de therapeutische relatie (of werkalliantie). Vaak moet je eerst door allerlei weerstanden heen, maar als het contact eenmaal goed is, kun je onderzoek gaan doen.” Een juiste diagnose, een FABA opstellen en kijken naar instandhouders (of bekrachtigers) van gedrag zijn daarbij essentiële onderdelen, aldus Désirée. Is het disfunctionele gedrag eenmaal in kaart gebracht, kan ze samen met de cliënt gaan werken aan het ombuigen van dat gedrag. Door de cognitieve herstructurering gaan cliënten anders denken en anders handelen.

Een essentiële vraag van Désirée aan haar cliënten luidt: “Wat voorkom jij door dit gedrag te vertonen?”. Ze stelt die vraag omdat het gedrag vaak delictgerelateerd is en ze wil achterhalen wat daar ‘onder’ zit (bijvoorbeeld angst). Volgens haar moet je op zoek naar de kern om te voorkomen dat iemand in herhaling valt. “Uiteindelijk wil je natuurlijk dat mensen herstellen en ander gedrag gaan vertonen. Wanneer ze empathie gaan ervaren voor hun eigen overlevingsmechanisme kan er ook ruimte ontstaan voor empathie naar hun omgeving en naar slachtoffers, en wordt delictgedrag omgebogen.”

Maar ze focust niet alleen op de dingen die niet goed gaan. Het is voor haar net zo belangrijk om samen met de cliënt erachter te komen wat wel lukt en wat de sterke kanten en vaardigheden van iemand zijn. Ook autonomie speelt in dat proces een grote rol. Door de inzet van cognitief gedragstherapeutische interventies wordt de cliënt uitgedaagd om meer grip op zijn leven te krijgen, wordt zijn autonomie versterkt en neemt de eigen verantwoording toe. Wanneer mensen zich positiever gaan voelen over zichzelf kan binding, naleving en motivatie voor het proces ontstaan. “Dat is prachtig om te zien, zeker omdat ze niet vrijwillig bij ons komen.” Dat haar aanpak aanslaat, blijkt ook wel uit het feit dat meerdere cliënten aan het einde van het reclasseringstraject vrijwillig kiezen voor een kortdurende coaching, om nog wat laatste adviezen en oefeningen mee te krijgen.

Moet en moed

Mag je concluderen dat ze een effectievere hulpverlener is geworden door de CGW-opleiding? “Ja. Maar ik ben vooral een hulpverlener met meer verdieping geworden. Ik merk dat ik een stuk verder kom met cliënten. Daarnaast zie ik dat het cognitief gedragstherapeutisch werken een mooie aanvulling is op de forensische ggz-behandelingen. Door wat wij hier doen, kunnen mensen gemotiveerder raken voor een complexere ggz-behandeling. Of ze staan er in elk geval meer voor open. Dat vind ik heel positief. ‘Van moet met een t naar moed met een d’, noem ik het ook wel eens. Het is heel fijn als je als reclasseringsmedewerker iemand kunt helpen om van moeten overleven en zichzelf moeten afweren de stap te zetten naar de moed om met zichzelf aan de slag te gaan.”

Door Hilde Bout – Het redactieadres